Pondspeer
Herkomst:
Waarschijnlijk een Franse vrucht, reeds in 1665 in de Jardin Français beschreven. Ook bij de Friese pomoloog J.H. Knoop was de peer al in 1754 bekend. Zeer veel verspreid.
Vrucht:
plukrijp: plukken eind oktober.
consumptierijp: januari tot en met maart. (stoofpeer)
afmetingen: grote vrucht, met een mooie korte peervorm. Is van onderen buikig en dik. Kan zeer groot en zwaar worden.
kelkholte: vrij diep, wijd met onregelmatige vleesknobbels.
kelk: geheel of half open, groot met brede, kortgespitste donkergrauwe blaadjes.
steelholte: ontbreekt.
steel: lang, houtachtig, lichtbruin, een beetje ingezonken/ ingestoken, scheef en gebogen.
schil: dik, met kleine bultjes, glad.
grondkleur: geelachtig groen, later meer citroengeel.
dekkleur: aan de zonzijde met bruinrood overdekt, met veel grauwe stippen en enige roestfiguren.
vruchtvlees: wit, grofkorrelig en geelachtig rondom het klokhuis, vast, knappend, matig saprijk en zoet, enigszins wrang.
klokhuis: tamelijk groot en breed in verhouding met de vrucht, met veel steenkorrels omgeven, grote en middelmatige cellen. Meestal onvolkomen donkere zaden.
Oogst:
Weinig of geen last van beurtjaren. Regelmatige opbrengsten.
Bewaren:
Stoofperen moeten evenals andere peren vooral niet te warm worden bewaard. Heeft men in de kelder of speciale bewaarruimte geen plaats meer dan is het mogelijk om ze op de zolder te bewaren. Maar nooit boven een vertrek waar gestookt wordt. Met kranten afdekken wanneer het gaat vriezen, bij zware vorst bedekken met kleden.
De bewaarbaarheid van de Pondspeer is matig en is gekoeld tot maart houdbaar. Pondspeer heeft last van uitval tijdens de bewaring door rot. Dit zou volgens de literatuur (H.de Greeff 1905) verband houden met de vorm van de vrucht. De ronde vruchten zouden eerder rottingsverschijnselen vertonen dan lange vruchten. Peren met deze rottingsverschijnselen worden ook wel rotneuzen genoemd.
Gebruik:
Eerste klas voor de keuken. Stoven of ongeschild koken. Wordt bij het koken mooi rood. Ongeschikt als handpeer.
Boom:
De boom groeit sterk en is op gevorderde leeftijd zeer vruchtbaar. De twijgen zijn stevig, olijfkleurig bruin met bruinrood en met vele grote, langwerpige, grauwgele stippen. De scheuten zijn lang stevig, olijfgroen en aan de top wollig. De bladeren voelen leerachtig dik aan. De takken groeien krom en afwijkend. Boom houdt van wat beschutting.
Bloei:
Laat. De knoppen zijn spits, afwijkend geplaatst op verhevene dragers, de bloemen zijn opmerkelijk groot en sneeuwwit van kleur.
